Blog

 

STEM verleden-heden-toekomst 
17 april door Bert Buizert

Nu we vlak voor de presentatie staan van de herhaling van het STEM-onderzoek, is het misschien slim even terug te kijken naar de oorsprong van het onderzoek. In de afgelopen maanden is, 12 jaar ná het STEM-onderzoek van Motivaction, enige ruis ontstaan over de validiteit van het onderzoek, de doorvertaling van de segmenten naar mensen in de laatste levensfase en de mogelijke risico’s die zouden kleven aan het kijken door het STEM-brilletje. 

In volgorde. De doorvertaling van het STEM-onderzoek uit 2008 naar mensen in de laatste levensfase. 

In 2008 werd er, net als nu, veel onderzoek gedaan naar leefstijl. In de creatieve geest van een enkeling is toen de vraag opgepopt of er naast leefstijlen dan ook geen sterfstijlen zouden zijn. Het Transmuraal Netwerk Midden-Holland, waar ik destijds werkte, vroeg hét onderzoeksbureau op het gebied van Leefstijlen – Motivaction – om daar onderzoek naar te doen. Motivaction maakt daarbij gebruik van het Mentality-model. Zie: https://www.motivaction.nl/mentality. In hun onderzoeksbenadering stellen zij de “waarden” die iemand aanhangt centraal. Daar waar gedrag en opinies veranderen door mode, trends, actualiteit; daar waar levensstijl verandert door levensfase, verandering van werkkring, verhuizing etc., daar verandert het onderliggende waardenpatroon van mensen nauwelijks. Dat waardenpatroon wordt gevormd in de formatieve periode van een mensenleven. 

Dit verklaart ook voor een belangrijk deel dat mensen zich wel anders kunnen gaan gedragen als ze geconfronteerd worden met grote spanningen, terwijl het gedrag gevoed blijft worden uit de onderliggende drijfveren.

Om dicht bij de beantwoording te komen zijn heel veel verschillende vragen gesteld aan een gemêleerd publiek – een representatieve steekproef binnen de Nederlandse bevolking, de enige lacune waar kritiek op mogelijk is, is dat de mensen moesten kunnen lezen en schrijven. In deze groep mensen (bijna 1600) tussen de 18 en 84 jaar zijn vragen gesteld als: 

  • Welke zaken denkt u dat belangrijk voor u zullen zijn in de laatste fase van uw leven?
  • Welke wensen heeft u ten aanzien van uw laatste levensfase? 
  • Heeft u deze wensen kenbaar gemaakt?
  • Hoe heeft u deze wensen kenbaar gemaakt?
  • Heeft u zelf behoefte om met mensen in uw omgeving te praten over uw laatste levensfase?
  • Etc.

Voor degenen die deze onderzoeksvragen verder zouden willen bekijken, stuur even een mail en dan krijg je het hele pakket toegestuurd. 

Uit al die antwoorden werden 4 belangrijke assen gedestilleerd. Assen waarop mensen heel verschillende waarden konden ervaren. En die leidden naar verschillende houdingen ten opzichte van de eigen sterfelijkheid. 

  1. Voor sommigen is het spreken en denken over dit onderwerp relatief makkelijk, voor anderen buitengewoon complex. Sommigen denken er wel over maar spreken, liever niet. 
  2. Voor sommigen is het essentieel de touwtjes strak in handen te hebben, voor anderen buitengewoon ingewikkeld of juist niet, die laten anderen gewoon beslissen. 
  3. Een ander opvallend verschil draaide om de vraag hoe mensen zich verhouden in hun sociale systeem. Bijvoorbeeld bij sommigen neigt de niet-stervende wat meer centraal te staan, bij anderen juist degene in de laatste levensfase of dat de focus meer ligt op praktisch dan emotioneel of andersom. 
  4. Bij elkaar opgeteld hebben we ook nog gediscrimineerd op of het voor diegenen wel of niet een taboeonderwerp was. 

In het reguliere Mentality-Model zitten 8 verschillende segmenten (lees: groepen binnen de bevolking die door onderscheidende waarden worden gedreven). Wij vonden dat wat te complex en hebben het vereenvoudigd, en hebben daar 5 Sterfstijlen van gemaakt. 

In 2008 was deze benadering nieuw én net zo urgent als dat ie nu is. Ook toen overleden er veel mensen bv. in het ziekenhuis in plaats van op de plek van hun voorkeur, ook toen gebeurde het dat mensen vooral gezien werden als een long met kanker of als een disfunctionele nier die geschoond moest worden. Dat was het moment dat we ervoor kozen om Sterfstijlen te introduceren, ook toen al in het besef dat Sterfstijlen eigenlijk leefstijlen waren in tijden van (lichamelijke, sociale, psychische en/of existentiële) crisis. Dus wat mensen als daadwerkelijk waardevol ervaren komt dan meer aan de oppervlakte en natuurlijk ook soms niet. 

Het woord Sterfstijl an sich opende toen een wereld om met elkaar het gesprek over het levenseinde aan te gaan. Het was nieuw, het was fris, het maakte nieuwsgierig en we trokken volle zalen met dit onderwerp. En al snel werd ook al wel duidelijk dat de vijf segmenten weerstand opriepen. Duizenden keren hoorden we: “We gaan toch geen mensen in hokjes indelen.”

Hoe groter deze wrijving werd hoe duidelijker het belang van een adequate nuancering werd. Wat globaal over 1600 mensen waar zou kunnen lijken, kan op individueel niveau natuurlijk de plank misslaan. Een van onze nuances was dat de test die online staat, eerst één uitslag gaf. Dus dat hebben we aangepast, dus je ziet bij de uitslag van de test nu in welke mate je je aangetrokken voelt tot elk van de 5 verschillende groepen. Hetgeen natuurlijk ook toont dat je niet dít of dát bent. Dus we benadrukken dat het allemaal anders kan zijn. Én gelijktijdig horen we vaak dingen als b.v. "Hij is gegaan zoals ie heeft geleefd!" of "Ik herken mevrouw de Vries hier zo in, had ik dit (=STEM) maar geweten, dan had ik echt een ander contact met haar kunnen opbouwen, ik heb het gewoon niet gezien."

Na een tijd met het STEM-concept gewerkt te hebben samen met duizenden mensen, begon ons steeds meer op te vallen dat het matchen van sterfstijlen op stervenden dan misschien ons startpunt was geweest, het bleek steeds meer dat de eigen positie van zorgverleners in bv. wel of niet behandelen, of wel of niet bespreken van het levenseinde, misschien wel een nog belangrijkere component was. Waar ontstaat namelijk veel spanning: daar waar de weg die de ander gaat niet geaccepteerd wordt of kan worden en/of in machtsongelijke situaties als ziek – niet ziek. 

Dus in de loop van de tijd raakte de sterfstijlen daarmee steeds verder op de achtergrond en werd het aansluiten bij de “waarden” van de ander (meestal de zorgvrager – maar soms ook collega’s die elkaar op “waardenniveau” niet konden luchten of zien) veel belangrijker. Dit is de richting waarin wij ons werk hebben doorontwikkeld en zeer velen waarderen dat enorm. 

Én het risico bestaat dat mensen verkeerde conclusies trekken en mensen – ondanks alle bijsluiters – toch liever stickers plakken, dan de sticker te zien als route om in contact te komen. Gelijktijdig geldt ook dat we allemaal (met uitzondering van een enkeling) stickers plakken en allemaal in milliseconden onze oordelen laten triggeren. Daarom hebben we het er veel over bv. tijdens onze trainingen. 

Op naar de volgende slag, gebaseerd op de output van het nieuwe onderzoek.